/ home / publicaties / boeken / Kantje moord / totstandkoming van 'kantje moord'

De geboorte van 'kantje moord'

Hoe begin je aan een boek?

...vragen lezers me regelmatig. Of nog: waar haal je je inspiratie vandaan?

De eerste vraag is makkelijker te beantwoorden dan de tweede. Je begint aan een boek door voor je pc-scherm te gaan zitten en te beginnen typen. Ideaal heb je al een titel die samen met je naam (die je in de best mogelijke werelden ook al hebt – lach niet – Wegens te moeilijk (hal-loooo, nog nooit van Anthony Horowitz gehoord) werd Hilde Opgenhaffen noodgedwongen Hilde E. Gerard, een naam waar ik toch even over moest nadenken…) Titel en naam – et voilà, je eerste pagina is geboren. Dan schrijf je – 800 woorden per dag deed Nobelprijswinnaar Thomas Mann, ik doe er een behoorlijke 500, een kleine twee pagina's dus, die je de volgende dag kritisch doorleest en waarvan je zo'n 200 woorden schrapt. Vandaar ga je verder… tot de pakweg 75.000 woorden van 'Kantje moord', een uit de kluiten gewassen boek, dus.

Inspiratie? Is soms iets moeilijker. Het helpt (voor mij althans) om buiten rond te lopen, in de stad, vooral, ergens waar mensen zijn. In een verhaal spelen zijn immers de hoofdrol. Ik neem de dingen in me op, de kleine bijzonderheden – een volslanke vijftiger die in een marcelleke bij het tanken lichtjes voorover buigt en de aanzet van zijn achterste toont… Twee druk gesticulerende vrouwen met zware boodschappentassen.. (waarover hebben die mensen het in godsnaam?) Nog een beproefde oefening is in mijn hangmat gaan liggen, nadenken en zachtjes wegsoezen in de zon… Deze zomer bij het grijze weer een moeilijker gegeven...

Taal

Eind 19e, begin 20ste eeuw spraken de mensen elkaar niet aan met 'jij', 'je' en 'jou(w)'. Toch koos ik voor die persoonlijke voornaamwoorden, omdat die tot onze huidige spreektaal horen en dus het lezen makkelijker maken en het verhaal ook dichter bij de lezer brengen. Waar ik geen rekening mee hield, is dat het vertelstandpunt ook zijn invloed op de taal zou hebben. Ik wist al snel dat ik het verhaal vanuit het zichtpunt van Marie Joos, het hoofdpersonage wou schrijven. Zij is een 17-jarige, verarmde kantwerkster. Haar relatieve ongeschooldheid (al kreeg ze bij de 'nonnen' wel wat Frans) en haar afkomst, staan geen bloemrijk, of poëtisch taalgebruik toe. Bij bepaalde scènes ervoer ik dat als een handicap.

Inspiratie

'Waar haal je toch je inspiratie vandaan?' 'Jij moet wel heel veel fantasie hebben!' Nou, dat laatste valt nogal mee… Al droom ik geregeld over geheime gangen (De Van Erschreve Mysterie-reeks) moorden (Moord op een schilderij, Moord met een geurtje, Moord bij kaartlicht), vampiers (de Vampierenbruid-trilogie), geesten, spoken en skeletten (de Heinrich Ooooh-reeks).

'Waar haal je toch je inspiratie vandaan?' 'Jij moet wel heel veel fantasie hebben!' Nou, dat laatste valt nogal mee… Al droom ik geregeld over geheime gangen (De Van Erschreve Mysterie-reeks) moorden (Moord op een schilderij, Moord met een geurtje, Moord bij kaartlicht), vampiers (de Vampierenbruid-trilogie), geesten, spoken en skeletten (de Heinrich Ooooh-reeks).

Voor ‘Kantje moord’ vond ik het dragende (dit woord is niet toevallig gekozen) element voor het verhaal in een krantenartikel uit 1912 over ‘de kanten sluier’ van mevrouw Fallières, echtgenote van de toenmalige Franse president, Armand Fallières, die in Turnhout door vier kantwerksters werd vervaardigd. Opdat hun namen voor eeuwig blijven onthouden: Cato Bizaert, Liza Cornelissen, Philomena Van Riemen en Zuster Van Mechelen, begijntje. De doorsteek of perkamenten patronen voor de kantkussens werden gemaakt voor de gewone perkamentsteekster: vrouw Seelen-Neefs.

Zin om het hele artikel te lezen? Je vindt het hier: De Kanten Sluier van Mevrouw Fallières

(Helaas werkt de oorspronkelijke link niet meer: http://users.skynet.be/ovo/DeKantenSluier.html)

Zo traag als kant...

Om op het vorig bericht terug te komen: de sluier van Mevr. Fallières klossen nam enkele maanden in beslag. Nog volgens het krantenbericht uit 'Ons Volk ontwaakt' werden “de patronen in het begin van augustus (1911, n.v.d.a.) werden de patronen op het kussen gezet en op 20 maart (1912 – n.v.d.a.) had de laatste werkster hare taak volbracht.” In 'Kantje moord' verloopt minder tijd tussen het prikken, opzetten en afwerken, maar dat noem ik dan graag dichterlijke vrijheid.

den Dijk 52

De 'de Merodelei', een straat die zich vanuit het centrum van Turnhout uitstrekt tot voorbij het station kreeg zijn huidige naam in 1905, n.a.v. de 75ste verjaardag van de onafhankelijkheid van België. Het was een eerbetoon aan graaf Frédéric de Merode die sneuvelde in de onafhankelijkheidsstrijd. In 1899-1900 sprak men nog van 'den Dijk'. Het huis waar een groot deel van het verhaal zich afspeelt, bestaat echt, zij het dat ik er in mijn verbeelding nog een voortuintje bij bedacht. Het is het neo-Vlaamse renaissance gebouw, de Merodelei nummer 83, gebouwd in 1899 (sic!) door architect Xavier Taeymans.

Het nummer 52 uit het verhaal is een knipoog naar mijn leeftijd op het moment dat ik het boek afwerkte. Of het huis doorloopt tot aan de achterliggende Molenstraat? Geen idee. Het interieur van het huis is ook ontsproten aan mijn fantasie, al hoop ik stiekem dat de huidige eigenaars dit boek lezen en me ooit eens uitnodigen

Monsieur Henri's fiets ofte...

Vélocipède. Een heerlijk woord vind ik dat, meteen ook het klassieke woord voor fiets. De letterlijke betekenis is "snelvoet" uit de lat. woorden velox ”vlug” en pes, pedis ”voet”.

In Nederland denkt men bij een vélocipède thans meestal aan een hoge bi, de klassieke fiets met een groot voorwiel en een klein achterwiel. Het woord vélocipède bestond echter reeds voordat de hoge bi werd uitgevonden.

Het oudste Nederlandse voorbeeld van vélocipède dateert van 1824. We vinden het voor het eerst opgenomen in de vierde druk van Woordenlijst (1893). Tegenwoordig wordt vélocipède enkel nog gebruikt in historisch verband, zegt de website van het 'Instituut voor Nederlandse Taal'. En die moeten het weten, toch?

Onbekende parels

Aan Kantje Moord ging heel wat opzoekwerk vooraf. Ik moest me een beeld vormen van 'mijn' stad rond 1899. Welke gebouwen stonden er toen al? (en nu nog?) Het oorspronkelijke station in Turnhout dateerde van 1986. Het staat er nog steeds, al ziet het er anders uit dan toen: zo ontbreekt o.a. de overdekte spoorlijnenhal. Een gebouw leerde ik pas kennen door mijn verhaal: de voormalige sigarenfabriek Meeuwesen-Quinet, opgericht in 1875-1876, die wegens uitbreiding rond 1890 verhuisde naar Kadasterstraat. Daar vormt ze nu een rij van negen woningen. Nergens bij die huizen nog vind je een verwijzing naar de vroegere fabriek, wat ik alvast zeer jammer vind.

Hoesten...

De hele winter van 2016-2017 werd ik geplaagd door een hoest. Ik voelde me bijna solidair met Edmond Joos, Maries vader. De hoest verdween toen ik tijdens de paasvakantie 2017 de laatste zinnen van kantje moord typte. Alsof het zo moest zijn...

Research

Bij een historische roman hoort research – oude gebouwen bezoeken, oude kaarten raadplegen, postkaarten bekijken, straatnamen opzoeken enz. Zelden brengt research me op een aangenamere plek dan bij dit boek. Toen ik las dat er in Turnhout een café was dat in 1917 zijn 127ste verjaardag viert, moest ik daar natuurlijk heen. De Penge is het oudste café van Turnhout, genoemd naar Petrus Hendrikx, een bengel met het gouden hart die kwajongensstreken uithaalde in het Turnhout van de 19e eeuw. Zijn avonturen schreef René Daniëls op in een boek dat in 1928 verscheen. Café De Penge vind je tegenwoordig in de Lindekensstraat 45. Het is een café waar je een gezellige babbel combineert met een lekker biertje. Of hoe research écht leuk kan zijn...

Schrijven – soms leuk – vaak moeilijk – altijd interessant

Wat is er leuk aan boeken schrijven? Op het eerste gezicht: niet bijster veel. ;-(

Schrijven is een eenzame taak. In mijn geval betekent dat: voor een pc zitten, die naast een raam staat dat uitkijkt op een boom die besloten heeft enkel de eerste week van mei te bloeien. De boom staat langs een doodlopende straat waar ik dagelijks vier mensen zie passeren: drie hondenbezitters en een postbode.

Ik bedoel maar...

Schrijven is... Elke keer dat je je pc opstart je werk van de vorige dag herlezen.

Schrijven is... schrappen, overdoen en een stukje verder proberen te komen.

Schrijven verloopt bijna zo langzaam als kantklossen.

Aan schrijven, vooral aan het schrijven van een historische roman, gaat veel research vooraf. Maanden heb ik artikels gelezen, boeken doorgenomen, voor ik één woord tikte.

Al die tijd zat ik met een verhaal in mijn hoofd dat ik niet verteld kreeg, omdat het 'decor' er rond, het plaatje zeg maar, nog niet klopte.

In die voorbereidende maanden zocht ik mensen op. Kantwerksters – ja, ze bestaan nog steeds – die me de knepen – lees: steken – van hun vak uitlegden. Een enkele keer nam ik de klosjes zelf ter hand. MAGISCH! Van de heemkundige kring kreeg ik informatie over het Turnhout van de vorige eeuwwisseling (1900, dus, voor de niet zo geconcentreerde lezer) en zelfs prikpatronen. De scène uit 'Kantje moord' waarbij Marie Joos met haar vingers over de gaatjes strijkt, is uit het leven gegrepen.

Zonder twijfel vind ik dat het meest intrigerende van mijn uit de hand gelopen schrijf-hobby. Ik heb al zoveel mensen leren kennen die mij inspireerden doordat ze zelf hun passie volgden. Mijn oprechte dank aan allen.

Cover – ofte hoe een verhaal een boek wordt...

Ik zit met een verhaal in mijn hoofd. Dikwijls is het nog niet meer dan een scène en een ruwe verhalenschets. Mijn uitgeefster geeft haar fiat en ik ga aan de slag. De deadline nadert en ik schrijf dapper voort achter mijn boom, mijn raam, mijn PC-scherm. In de uitgeverij ontwerpen redacteurs een flaptekst. Er wordt nagedacht over een cover en die krijg ik doorgestuurd. Een meisje dat vanachter een gordijn naar de buitenwereld gluurt. Daar kan ik, voor mijn PC, achter mijn venster, me wel in vinden…

Mijn verhaal rolt nog verder af. Ik typ vlijtig verder, maanden lang. Wat let me om het beeld van de cover (enkele keren) in het boek te verwerken?

Vertelperspectief

In ‘Kantje moord’ is het hoofdpersonage een jonge vrouw. Het verhaal vroeg gewoon om een vertelling vanuit haar perspectief. Marie Joos is de centrale figuur in het verhaal – alles draait om haar. Geen enkele scène in het boek, of ze maakt er deel van uit. Dat schept opportuniteiten – hoop ik – nl. dat de lezer zich kan identificeren met haar. Het creëert ook problemen – niks kan afspelen buiten Marie om. Als schrijver duwde ik mezelf dus in een kader van beperkingen. Aan de lezer om te oordelen of uitdaging lukte.

Het vertelperspectief? Volgens Wiki: Bij het personele perspectief is de verteller niet zelf in het verhaal betrokken, maar wordt één persoon gevolgd. Het verhaal staat in de derde persoon, maar er is geen sprake van een compleet overzicht zoals bij het auctoriale perspectief.

Kantje moord – een historische roman

Als de benaming ‘historische roman’ een begrip is dat de lading voor 100% dekt, dan staat het onderdeel historisch logischerwijs voor 50%, terwijl ‘roman’ de andere helft voor zijn rekening neemt. Of om het te hertalen naar dit boek: 50% is waar, de rest is fictie. Of, je kunt het ook anders stellen: historische fouten zijn mogelijk, zo bedoeld omdat het verhaal voorrang had op de feiten, of onbedoeld, maar dan zijn ze enkel de fout van de auteur, die nooit de bedoeling had hier een doctoraatsthesis van te maken. ;-) Ik citeer hier graag Stephen Frears, regisseur van o.a. Florence Foster Jenkins, de komedie met Meryl Streep en Hugh Grant in de hoofdrollen en Philomena, een historisch drama uit 2013. Over de historische (in-)correctheid van die laatste film zei Frears in een interview in KnackFocus: ‘Ik voel me evenwel niet verplicht om met tot de feiten te beperken. De helft van Philomena is echt gebeurd, de andere helft verzonnen. Een mooie mix als je het mij vraagt.’

Ik sluit me hierbij graag aan…

Bestaande personages

Omdat Kantje moord zich in een bestaande stad afspeelt, mijn thuisstad Turnhout, heb ik een aantal personen die echt geleefd hebben, in het boek een klein rolletje gegeven. Ze zijn dus historische figuren, al heb ik bewust hun rol niet uitvergroot en hun karakter zeer vlak gelaten. Het is niet aan mij om aan bestaande figuren subjectieve karaktertrekken te geven.

Pastoor (Deken) Victor Adams ...

(geboren in Schriek in 1856 – gestorven te Ravels in1924) leefde en werkte in Turnhout. Van 1895 tot 1921 was hij pastoor-deken van Turnhout en zeer geliefd omwille van zijn sterke sociale bewogenheid. In 1890 richtte hij 'de Werkmansgilde' op en in 1898 richtte hij mee de 'Katholieke Volksbond' op.

Na het afwerken van Kantje moord blijf ik met een schuldgevoel zitten. Had ik hem niet toch een grotere rol moeten toebedelen voor zijn inzet voor het gewone volk?

Wie meer over de man wil lezen: http://www.erfgoedbanknoorderkempen.be/erfgoed/2259-portret-deken-adams

Juffrouw Johanna De Boer, ...

geboren in Rotterdam, was het laatste begijntje van Turnhout. Ze trad in 1939 in het Turnhoutse begijnhof in toen er daar nog zeventien begijnen verbleven. Juffrouw de Boer stierf in 2002, een dag na haar 94ste verjaardag. Op haar wens werd ze in haar geliefde Begijnhof begraven. Je vindt haar eenvoudige grafsteen bij de immer groene haag, linksachter het koor van de begijnhofkerk.

‘Begijnhof 56’ uit het verhaal is het huis waar zich tegenwoordig het Begijnhofmuseum bevindt. Beslist een bezoek waard!

Voor wie kan rekenen, nog kort dit:

Hoewel juffrouw Anna De Boer pas in 1908 werd geboren, 8-9 jaar later dan het tijdstip waarop Kantje moord zich afspeelt, moet het laatste begijntje van Turnhout een plaatsje krijgen in dit verhaal, vond ik.

Dr. Renier Snieders

Eenzelfde fenomeen vind je bij Dr. Renier Snieders. De man, die in het centrum van Turnhout een straat met zijn naam kreeg, woonde vanaf 1854 in de Otterstraat waar hij een dokterspraktijk had. (Om je een zoektocht te besparen: zijn huis werd in 1954 afgebroken) Van Renier Snieders las ik tijdens mijn opzoekingen de berichten over de cholera-epidemie en de beschrijving van het ‘Gasthuis’ die hij opschreef in zijn functie als wetsdokter. Snieders was ook een zeer bekend schrijver. In 1899 was de man echter al 11 jaar dood… Bij de ingang van het Heilig Graf in de Paterstraat vind je zijn zeer mooie monument.

Nog een kleine nota over Turnhout

In 2012 schreef ik al een jeugddetective om 800 jaar Turnhout te vieren. Mijn research toen beperkte zich tot de grote geschiedkundige lijnen en ik concentreerde me vooral op de bestaande gebouwen van de stad. Met ‘Kantje moord’ vertoefde ik meer in het verleden. Dit leuke weetje vond ik in het stadarchief: op 1 januari 1900 telde Turnhout 20.945 inwoners: 10.258 mannen en 10.687 vrouwen. Een vergelijking: nu bevolken we de stad met meer dan 42.000 mensen. De gelijke verdeling man-vrouw hebben we behouden.

‘Gemanipuleerde’ bestaande personages

Met haar breeduitwaaierende witte kap boezemde Zuster Germaine me grote angst in toen ik in 1968 als driejarige peuter (met schattige staartjes en een wit kraagje onder mijn groen truitje) voor het eerst naar de kleuterschool ging. Bij nader inzicht was de zuster heel lief en ik herinner me dat ik heel graag bij haar in de klas zat, al vond ik het fijn dat het zusterlijke uniform in de loop van de late jaren zestig minder afschrikwekkend werd.

Coralies naam ontleende ik aan Coralie Bals, een tante van mijn overleden vader die in niks geleek op de Coralie uit ‘Kantje moord’, behalve misschien dat ook zij wat bazig was. Of leek dat maar zo, voor het tienjarig meisje dat ik toen was?

Marie Joos is volledig aan mijn fantasie ontsproten. De naam ‘Joos’, echter is een veel voorkomende naam in de Kempen. Precies daarom heb ik het ook gebruikt.

Verder is het evident dat je voor een verhaal dat zich in de 19e eeuw afspeelt, namen als Marion, Rune, Elvis, Shelly, enz. vermijdt. Toch?

Turnhoutse gebouwen

Ja, de Kemelskooi heeft bestaan. In 1899 richtte kunstsmid 1898 op de Botermarkt, het huidige Zegeplein, een ijzeren hal op. In die overdekte markt werden op zaterdag eieren verkocht . Op een pilaar van de hal waakte een Mariabeeldje. Dat beeldje vind je nu nog aan de gevel met het hoekhuis van de Markt.

Op diezelfde markt prijkt natuurlijk – gelukkig – nog steeds de aloude St.-Pieterskerk, die ook al een beduidende rol speelde in mijn jeugddetective ‘Moord bij kaartlicht. Ter gelegenheid van dat boek heb ik de oude trap in de toren beklommen, ik oog in oog gestaan met de grijze beiaardklokken versierd met schatiige engeltjes. Wist je dat…?

De Turnhoutse beiaard bestaat uit 52 klokken?

De oorspronkelijke klokken uit 1778, gegoten door Andreas Jozef Vanden Gheyn nog bewaard zijn?

De Turnhoutse beiaard nog regelmatig wordt bespeeld?

Ook het interieur van de kerk is de moeite waard. Wat mij bevalt is de lichtheid van de kerk, en daarmee bedoel ik het ruimtelijk gevoel en de witte muren. De preekstoel zoals ik die vermeld in het verhaal bestaat echt.

Verdwenen op de Turnhoutse markt zijn het ‘oude’ stadhuis en de vismijn. Jammer genoeg zijn er wel meer gebouwen afgebroken. Het huidige marktplein, echter, met de grote speelkaarten in de plaveisels nodigt uit tot een verpozing met een drankje en een hapje.

In de Herentalsstraat nummer 6 vind je sinds 1897 de neogotische kapel van de Zusters van de Franse Congregatie, zo genoemd omdat ze Frans spraken. De glas-in-loodramen uit het boek kun je nog steeds bewonderen. Althans op mij maakten ze een grote indruk.

Verderop kruist de Pieter De Nefstraat de Herentalsstraat. Van het oorspronkelijke college bestaat nu enkel nog de lagere school. De kerk waar Marie Joos dagelijks langsloopt werd gebouwd tussen 1860-1862. In 1972 werd ze afgebroken, nadat men ze jarenlang had laten verkommeren.

Hetzelfde gebeurde met het ‘Grand Hôtel du Monarque’ dat toch een beduidende rol speelt in het verhaal. Ik vroeg verschillende oudere inwoners van Turnhout. Ze haalden kleurrijke verhalen op over het hotel en zijn gasten, maar niemand kon zich herinneren waar het hotel precies stond. Ik ben dus nog steeds zoekende… Iemand?

Verderop in de Herentalsstraat, weg van de markt, vind je het steegje waar Marie Joos volgens het boek woont. In het echte Turnhout van de laat 19e en vroeg 20ste eeuw was er daar een weverssteegje, waar Marie, gezien de achtergrond van haar vader, niet onmiddellijk zou wonen. De locatie van haar woonst is dus aan mijn fantasie ontsproten.

Aan de andere kant van het marktplein vind je de Paterstraat met de hoofdingang van het klooster van de zusters van het Heilige Graf. Sinds enkele jaren zijn de zusters weggetrokken. Hun schoolgebouwen trekken dagelijks nog vele honderden leerlingen, al wordt kantklossen er niet meer onderwezen. De details over jenever en grispotten zijn geen verzinsel.

Hier vind je een lesrooster voor de kantschool… in het Frans. (mouseover of klik erop)

horaire

Fabrieken in het centrum van Turnhout

We hebben Pieter Corbeels uit Leuven, te danken voor onze papierindustrie. Hij vestigde zich in 1795 samen met Philippus Jacobus Brepols als drukker in Turnhout, in volle Franse omwenteling. Eind 1798 verhuisde hij van de Patersstraat naar de oostzijde van de Grote Markt. Corbeels werd door de Franse bezetter in de bossen van Postel gegrepen en later gefusilleerd voor zijn opruiende pamfletten. Een monument, ietwat verscholen in de struiken bij het Taxandria museum herinnert aan Corbeels onfortuinlijke lot. Na zijn dood zette zijn medewerker, Brepols, dus, het drukkersbedrijf verder. Hij breidde de zaak uit met een winkel, papierhandel en boekbinderij. Kort voor 1815 drukte men bij Brepols al "mannekenspapier" of volksprenten. In 1826 werd met speelkaarten gestart. In de Baron du Fourstraat aan het tweetorentjesplein vind je nog overblijfselen van het woonhuis van Brepols. De fabriekssite achter de markt krijgt anno 2017 een nieuwe bestemming.

Antoine Van Genechten werkte bij Brepols, voor hij zijn eigen bedrijf oprichtte, dat hij na enkele locaties, in 1855 aan ‘Den Dijk’ vestigde. Langs deze fabriek loopt Marie in Kantje moord naar haar werk bij het station. De producten van Van Genechten waren net als in de concurrerende Turnhoutse papierfabrieken: speelkaarten, kinderprenten, reclamemateriaal en sierpapier. Op 15 december 1868 kreeg Van Genechten een brevet voor het drukken van Chinese speelkaarten. In 1869 werd de fabriek drastisch vergroot. Het drukken van mannekensbladen (kinderprenten) werd gestaakt in 1870. Op 14 juli 1874 stierf Antoine Van Genechten en de zaak werd overgenomen door zijn oudste schoonzoon, Jean de Somer. De fabrieken van Van Genechten in het centrum werden afgebroken. Nu vind je Van Genechten-Biermans terug op het industrieterrein buiten de ring. De speelkaartenafdeling werd ondergebracht in het internationaal succesrijke Carta Mundi, gevestigd op datzelfde industrieterrein.

Moeilijk (op te sporen ) gaat ook…

Soms vind je op de gekste plaatsen informatie. De fabriek van de Turnhoutoise bleek moeilijk te localiseren. Ik baseerde me voor haar ligging op een website van 2005 van Ovam over … bodemsanering! ‘Ook ter hoogte van […] La Turnhoutoise Papier (Korte Vianenstraat) en […] worden plaatselijk verhoogde concentraties vastgesteld. Omdat zich op deze locaties appartementen, garageboxen en parkings bevinden, vormt de vastgestelde bodemverontreiniging geen risico voor de gezondheid en is een sanering niet nodig.’

Ook deze fabriek bevindt zich op de route die Marie (soms) naar haar werk neemt.

Op de website van de historische drukkerij in Turnhout (wwww.historischedrukkerij.be) vond ik volgende info, die me hielp bij de chronologische situering: ‘Rond 1861 kocht de familie Poupaert-Van Dooren de gronden, gekend onder de naam ‘Vianenakkers’, samen met de vijf huizen die hierop stonden gebouwd. Charles Poupaert was begonnen als letterzetter bij Van Genechten en had er zich opgewerkt tot directeur. Zijn ene dochter huwde met Leonard Biermans, zijn andere met de broer ervan. Zijn zoon Joannes trouwde de dochter van tijkfabrikant Van Dooren. In 1881 werd een fabriek opgetrokken op de Vianenakkers en Joannes Poupaert begon er een fabriek voor de productie van speelkaarten en sierpapier. Al na tien jaar moest het concordaat worden aangevraagd.

De Antwerpse bankier J. De Kinder bracht redding en richtte op 19 september 1893 de N.V. La Turnhoutoise op’. Met dank aan de Historische Drukkerij!

Na vergelijk met postkaarten uit het stadarchief stelde ik me de vraag of de fabriek zich niet meer naar de spoorweg toe bevond… Ik laat het aan de Turnhoutse lezer over om mij te corrigeren. Uiteindelijk besloot ik de verhaallijn voorrang te geven op de eventuele historische correctheid van de feiten.

Bloemen als symbolen…

Gedroogde bloemen wijzen natuurlijk naar de vergankelijkheid van het leven. Het verhaal begint trouwens in de Herfst, wat een allusie is op de ouderdom.

Narcissen leken we de bloemen bij uitstek voor Juffrouw Dierckx die zelf een schouderdoek met haar afbeelding wil (van een jonge Godelieve, natuurlijk – uit ijdelheid, maar meteen spreekt ook hier de (on)vergankelijkheid van de jeugd. Narcissen verwijzen naar de mythe van Narcissus die door de aanblik van zijn eigen spiegelbeeld in een meertje zo verliefd werd op zichzelf, dat hij zich niet meer los kon maken van het urenlang staren naar deze onbereikbare schoonheid en langzaam wegkwijnde. Uiteindelijk veranderde de wraakgodin Nemesis veranderde hem in een narcis. Het voorovergebogen hoofd van de narcis lijkt op het voorovergebogen hoofd van Narcissus.

De palm in de serre is niet zonder meer gekozen – hij staat goed in een noordelijke serre, natuurlijk, maar hij is ook het teken van Jezus die op Palmzondag voor Pasen werd begroet met palmtakken. Een gelovige vrouw als Godelieve legt zeker de link.

Er zijn er nog, bloemen en verwijzingen. Ik laat het graag aan de lezer over om verbanden te leggen en symbolen te ontdekken.

Terugblikken

Het is nu eind augustus 2017 en ik wacht vol spanning de fysieke komst van mijn boek af. Meestal gaat aan die levering een mailtje van de uitgeverij vooraf. ‘Hilde, ze komen eraan. Ben je thuis?’ Ja! Voor een nieuw boek blijf ik thuis, meer nog, ik vat post voor het raam aan de straatkant. Het busje van De Post ken ik ondertussen al. En toch blijft het spannend. De bel zal gaan. Ik zal, uiterlijk kalm, de deur openen en de postbode begroeten, het pakket aanpakken, en vriendelijk bedanken. ‘Nog een fijne dag.’ Dan laat ik alle decorum vallen en hol naar mijn bureau waar de briefopener al klaarligt. Enkele halen en de ducttape is los en dan liggen ze daar: spiksplinternieuwe, heerlijk ruikende exemplaren die tot dan toe enkel in mijn verbeelding en op mijn pc bestonden. Enkele tellen hou ik het boek vast. Dan gaat het voor altijd op de boekenplank. Want lezen, nee dat durf ik niet. Stel dat er een fout in staat?