/ home / online-verhaal

Een dubbele agenda


Hij stond voor de etalage. Naar binnen gaan was geen optie. Het kon niet. De winkel was afgesloten, een metalen gordijn neergelaten. Als hij goed keek, zag hij in de smalle donkere ruimte een lichtje branden, alsof er toch nog iemand aanwezig was. Maar allicht was een werknemer in zijn of haar haast om het pand te verlaten, het licht in het lunchhokje of toilet of de bezemkast vergeten. Zoals ook hij dingen was vergeten, die laatste middag op kantoor. Zijn schoudertas met laptop. Hoe stom kon je zijn. Ja, hij had nog een desktop, maar die stond in de woonkamer en daar bivakkeerde nu zijn tienerdochter en zoon. Alix wou niet dat ze op hun kamer zaten, vergroeid met hun smartphones, gekluisterd aan een pc-scherm. Dag 8 van de quarantaine en hij liep al de muren op. Hij was gevlucht, dat kon je wel stellen. Vrijdag op kantoor – weg, weg toen het nieuws kwam, weg van haar. Als opgejaagd wild was hij de koffiekamer uitgevlucht toen ze binnekwam. Haar rood kleed uitwaaierend bij elke stap, haar slanke benen in zijden panties. Boven haar decolletée, haar haren opgestoken in een zedige knot en haar lippen in een glimlach die spottend neer hem tuitte. Zou iemand ondertussen zijn mok hebben weggeruimd? Of stond dat ding er nog steeds, met een opgedroogde koffiecirkel in de bodem. Maakte het eigenlijk iets uit? Hij schuifelde naar links en weer naar rechts. Zijn wandeling –‘schat, ik haal wel brood’ – was een leugen (schat) en een excuus om weg te komen uit hetnog lang niet afbetaalde huis met voortuin in de doodlopende straat, weg uit die verstikkende sfeer van overaanwezige lijven en drukkende stilte. Want tieners in huis, dat was leven tussen een gedempte beat die door hun koptelefoon een weg naar buiten vondt, naar de stiltewereld van volwassenen die enkel nog het hoogstnodige met elkaar wisselden in een huis dat te klein was voor vier, waarvan twee met onhandige, beweeglijke lijven met benen waar je als vader voortdurend over struikelde en die met een afwezige blik zijn excuses beantwoordden. Iemand hoestte. Spontaan draaide hij zich om. Nieuwsgierig naar dat andere menselijk wezen dat net zoals hij op zaterdagmorgen in een verlaten stad rondliep. Net zoals hijzelf op de vlucht? Een man naderde. Zijn kale kop stak diep in een zelfgebreide sjaal. Een vijftiger, het buikje spannend onder de knopen van zijn grijs wollen jas, de handen diep in de zakken. De man leek bekend. Of toch niet. Hoeveel kale, licht obese vijftigers waren er wel niet? Weer die hoest, niet van het droge soort, waar je een COVID-lijder aan moet herkennen. Dit was een slijmerige hoest, een zwoegen om sputum naar boven te werken en in een zakdoek te rochelen. De man deed precies dat. Uit zijn rechterjaszak haalde hij een verfomfaaide zakdoek, bracht hem aan zijn mond en ontdeed zich van zijn afvalstoffen. Hij keek er naar, zoals iemand doet die zich niet bekeken voelt. Dan keek hij als bij toeval op en de blikken van de twee mannen ontmoetten elkaar. De oudere lachte wat schaapachtig, een onuitgesproken verontschuldiging en hij haalde, onzichtbaar bijna, zijn schouders op.

‘Mooi weer’, zei de vreemde. De andere man knikte en tikte met zijn voet tikte tegen het plaveisel van het trottoir. Zijn tic. Hij had er meerdere. Alix hield niet op ze dagelijks te beschrijven.

‘Willem, trommel niet met je vingers op het tafelblad.’ ‘Wil-lem, je voet. Je doet het wéér.’

‘Wat?’

‘Die nerveuze tics van je.’ De irritatie in haar stem. Waar hij vroeger zachtheid hoorde en amper zijn naam. ‘Schat’, heette hij ooit. Of ‘Lieverd.’

Zijn huidige tic was er eentje van ongemak. Twee meter afstand, dat was de regel in corona-tijden. Alleen… waar kon hij heen? Hoe vermeed je een hoestende man? Hij kon zich tegen het metalen gordijn persen, maar ging dat niet te ver? Hij kon het op een lopen zetten – hij was sneller, jonger, athletischer dan zijn toevallige kennis, maar vluchten, dat deed Willem zijn hele leven al. Zo werd hem veelvuldig gezegd. De oudere man loste het probleem op. Met een onverwachte gratie sprong hij van het voetpad en trippelde, een beter woord past hier niet, behalve misschien dat hij plots een soort balletdanser leek, weggelopen uit een achtergrondkoor van mannelijke dansers, alleen, dat is geen koor - een koor zingt, toch? Willems gelaatsuitdrukking moet zijn gedachtengang hebben verraden, want de oudere man lachte, uitbundiger nu.

‘Beroepsdanser,’ zei hij. ‘In een slanker leven, weliswaar.’ Willem knikte stom, alsof de quarantaine zich niet beperkte tot lichamelijk contact. ‘Marc’, stelde de oud-danser zichzelf voor, de voorgeschreven afstand van twee meter respecterend, zijn handen opnieuw in zijn zakken. Willem knikte weer. Dit keer sprak hij wel.

‘Willem Verbeek.’ Was dat nog een vereiste, in corona-tijden? Je volledige naam geven? Een gewoonte. De gewoonte van een verkoper die zich handschuddend aan zijn potentiële klant voorstelt. Of aan een nieuwe vrouwelijke collega, die met een spotlachje die hand tussen haar slanke vingers laat glijden. Hij was danig van zijn stuk geraakt, die eerste keer toen ze werden voorgesteld. ‘Hanne Maertens.’ Het afdelingshoofd blies de ‘h’ aan. Het klonk als een zucht vol hoop en verlangen. ‘Willem Verbeek. Ik laat jullie kennismaken. Hanne versterkt ons verkoopsteam voor een zestal maanden. Daarna gaat ze naar de hoofdzetel.’ Die was in Zwitserland. Genève.

‘Kun je skiën?’ vroeg hij toen Frank na een knikje wegliep.

‘N-n-n-n-nee’, zei ze langgerekt en ze lachte. ‘Er zijn een pak andere dingen die ik kan doen in Genève.’ Ze tuitte haar rode lippen en Willem voelde zich dwaas.

Marc die ondertussen midden op de lege straat stond, zweeg. Hij maakte een kinbeweging naar het winkelraam. ‘Brandt daar nog een lichtje?’

‘Ja. Ik zag het ook net. Vergeten, denk ik. Het lijkt me geen noodverlichting of zo.’

‘Hmm. Gekke tijden. Ik liep thuis de muren op. Mijn vrouw...’ Hij maakte zijn zin niet af, maar het gebrek aan informatie was genoeg voor Willem om zich een vrouw voor de geest te halen die hij bij zijn nieuwe kennis vond passen. Niet te groot, volslank, opengelopen pumps, grijzend, wat golvend haar, van het zorgende type, eerder dan het zeurende. Zijn gedachten dwaalden weer af naar Alix. En toen natuurlijk naar háár.

‘Makkelijk is het niet’, knikte Willem. ‘Wij zijn thuis met vier – twee tieners.’ Marc knikte vol begrip. ‘Die tijd ligt al achter ons’, zei hij. Ik kon mijn zoons met tijden achter het behang plakken.’ Hij grinnikte, om dan ernstig te worden. Een ernst, vermengd met enige tristesse. ‘En dan worden die kerels volwassen en verlaten ze het nest en…’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Nou ja, je wordt dan op een goede dag wakker en je leven is voorbij. Zo ongeveer toch.’

‘En dan wil je de klok kunnen terugdraaien, maar dat kan natuurlijk niet en ja… dan word je wat weemoedig.’ Hij mocht dan tics hebben, er was een reden waarom hij een sterverkoper was. “Je bent empathisch.” Frank had het enkele malen herhaald op zijn laatste functioneringsgesprek. “Jij begrijpt mensen en wat hun beroert.” Dat begrip en die beroering had zich vertaald in een mooie maandelijkse bonus, die hij voor Alix verzweeg. Op twee meter afstand kantelde Marc zijn hoofd . De beweging leek Willem vertrouwd. Marc… Marc… Hij spitte door zijn geheugen. Niks.

‘N-n-n-neee’, zei Marc langzaam en even wist Willem niet meer waarover het ging. Hij kon enkel denken aan Hannes ‘nee’ Hanne vijfendertig dagen geleden. Haar plagende glimlach, die witte tanden achter die rode lippen. Marc keek even om zich heen, alsof hij zeker wou stellen dat zij twee daar alleen waren op die verlaten straat. ‘Je wilt de klok vooruitzetten’, zei hij en zijn stem klonk hees, stil ook en Willem moest zich inspannen om hem te verstaan. ‘En wakker worden op een andere dag, helemaal allleen, of tenminste zonder die vrouw die al dertig jaar naast je ligt.’

‘Oh’, bracht Willem uit. Hij wist niet goed hoe te reageren. Hij, empathisch? Begrijpend? Echt niet. Zei Marc, of hoe hij ook mocht heten dat hij zijn vrouw beu was? Ging hij zover dat hij haar dood wenste? Nee. Natuurlijk niet. Dat was weer zijn, Willems fantasie. Of zijn eigen wensdenken. Hij zweeg. Een pasklaar antwoord vond hij zo snel niet.

‘En dan’, ging Marc doodleuk verder. Hij sprak nog steeds stil, maar leek minder serieus.

Vrolijk. Dat was het juiste woord. ‘Dan komt die dag en dan voer je uit waar je al jaren in stilte over fantaseerde en dan ben je vrij.’ Er ontsnapte een lachje uit zijn keel. ‘Om dan stomweg … in quarantaine te zitten.’ Willem deed onbewust een stapje dichterbij. Die laatste zin had hij niet helemaal gehoord. Om met een lijk in quarantaine te zitten? Had zijn nieuwe zaterdagse kennis dat werkelijk gezegd? Of zei hij ‘gelijk’? Zoals Nederlanders dat woord gebruiken – meteen – gelijk.

‘Zit je vrouw thuis?’ vroeg hij en zelfs hij vond zijn stem geforceerd klinken. Marc lachte. Hij lachte echt wel vaak.

‘Zitten?’ Hij schudde zijn hoofd. ‘’Laten we zeggen, dat ze ligt. Precies. Ze ligt in bed.’ Hij tikte met zijn vingers aan zijn hoofd, bij de ontbrekende haarlijn, alsof hij de rand van een hoed aanraakte. ‘Zo, Willem Verbeek’, zei hij, ‘ik moet er vandoor. ‘Tot ziens. Blijf gezond.’ Hij draaide zich op zijn hakken om en liep weg. Alsof hij wist dat Willem hem nakeek, sprong hij een halve meter of zo hoog en klakte zijn hakken tegen elkaar terwijl zijn rechterbeen een hoek maakte. Willem bleef aan de grond genageld staan. Allerlei gedachten flitsten door zijn hoofd. Had de man net bekend dat hij zijn vrouw had vermoord? Moest hij niks doen? De politie verwittigen?

Marc had het einde van de straat bereikt. Zonder om te kijken, stak hij zijn hand in de lucht en zwaaide. Willem beeldde zich Marcs gllimlach in, de lijnen rond zijn lippen, de gelukzaligheid die een man uitstraalde die zich net van zijn vrouw had bevrijd. Toen draaide Marc de hoek om. Met het verdwijnen van de man die hij net had ontmoet, hoorde hij die innerlijke stem weer. Dit kan je niet zo maar laten, Willem. Stel dat er echt een moord is gepleegd? Dat Marc hoe hij ook mocht heten zijn vrouw had koud gemaakt. De quarantaine leende er zich alvast toe. En wel om twee redenen: oorzaak en gevolg. Man en vrouw thuis op elkaars lip. ‘Marc, zet je de vuilnis buiten? Marc, dek je de tafel? Marc, moet je nou per se elke dag een hemd aan? Alsof ik nog niet genoel strijk heb! Een hemd. Jezus! We zitten verdomme de hele godganse tijd binnen, man. Willem, hang je nu weer voor dat scherm.’ Hij grimaste even. De naamsverandering kwam spontaan. Quarantaine – was er een beter tijdstip om je van je vrouw te ontdoen? Wie zou haar missen? Buren zagen haar niet – Alix bijvoorbeeld kwam enkel in de zomer in de tuin, om u-ren te zonnen. De tuin onderhouden kwam volledig op zijn schouders terecht. Niet dat Alix dat inzag. ‘Ben je nu weer aan het niksen?’ Haar standaardvraag als hij de zaterdagskrant las op het terras, de hegschaar naast hem op tafel. Merkte ze die echt niet op? Haar getrimde haag? Marc had geen kinderen meer thuis. Hoe had hij het gezegd? Dan zijn die koters weg en zit je met een leeg nest. Na 35 jaar. En je wilt wakker worden alleen of met een andere vrouw dan die waar je al die tijd mee was getrouwd. In zijn hoofd gingen alle alarmbellen af. Ze was dood. Willem was er zeker van. Hij zette het op een lopen, de verdwenen beroepsdanser achterna. Buiten adem bereikte hij de straathoek. Conditie nul komma nul. Net als Marc enkele minuten voordien draaide hij naar rechts. Het marktplein was verlaten. De deur van de St.-Pieterskerk stond open. Daar tegenover was een politiepost. Bemand in corona-tijden? Er was maar een manier om dat te checken. Alleen… wat kon hij vertellen? ‘Ik ontmoette iemand die me vertelde dat hij zijn vrouw beu was.’ Hij beeldde zich het antwoord van de politieman in. ‘Nee, meneer, echt? Een man die genoeg had van zijn vrouw. Eén man?’ Willem schudde zijn hoofd alsof hij nog steeds in gesprek was met iemand. Eigenlijk klopte dat ook. Hij sprak met zijn geweten. Twee weken geleden was dat geweten een grote afwezige geweest.

‘Drinken we er nog eentje?’ Ze vroeg het met een lachje in haar stem en ze keek hem aan met ogen die tot in zijn ziel keken. Ze zette het glas aan haar mond en streelde de rand met haar lip. Het was plots heel warm geworden in de kroeg. Wat er daarna was gezegd of gebeurd, wist hij niet meer precies. Zijn volgende herinnering was van hemzelf, zijn rug tegen de houten lambrizering op weg naar het toilet en Hanne tegen hem gedrukt, haar mond tegen zijn hals. Thuisgekomen had hij de rode vlek net op tijd opgemerkt.

‘Je bent laat’, begroette Alix hem zonder emotie. Ze lag in bed, haar gespierde armen boven het dekbed, een of ander romantisch boek in haar hand. De schaduw van de leeslamp tekende donkere schaduwen onder haar ogen en hij werd meteen terug gekatapulteerd naar dat smalle gangetje in de kroeg. Haar zwoele parfum, haar haren die kietelden tegen zijn wang.

‘Drankje met de collega’s’, zei hij, misschien iets te snel, maar de dode letters op de pagina’s waren duizendmaal interessanter dan wat hij te vertellen of te verzinnen had. ‘Ik douche nog even.’ Geen idee of ze nog luisterde. In het harde badkamerlicht zag hij de vlek in de make-upspiegel. Knalrode lipstick op zijn halskraag. Zijn hart miste een slag. Hij trok zijn hemd uit en haalde een flesje ontsmettingsalcohol uit het hangkastje boven de wastafel. Enkele druppels en wat lauw water moesten volstaan. Om alle sporen uit te wissen, sprayde hij nog wat deo op zijn hemd. Behalve in zijn herinnering, waar Hannes geur zich niet liet uitwissen, waren alle sporten van zijn avontuurtje verdwenen. Hij nam een handvol douchegel en wreef dat in zijn haar. Het nog koude water pletste op zijn hoofd en hij hapte naar adem. Hij hield zijn gezicht naar de straal water en slikte de druppels in tot ze te warm werden en hij zijn hoofd moest wegdraaien. Op de tast kneep hij nog wat gel in zjin handpalmen en routineus streken zijn handen over zijn borst en buik. Toen voelde hij het. Het deed verdomde pijn ook. Hij draaide zich weg van de waterstraal en keek en voelde. Een rode streep ging van zijn sleutelbeen over zijn rechterborst naar zijn buikstreek. Hij draaide de kraan dicht, greep een handdoek en wreef zich droog. Een lichtrode vlek ontsierde de witte badstof. Hij lliep naar de grote spiegel bij de deur en keek naar zichzelf maar zag enkel die schram. Hij voelde haar nagels. Ze schoven over zijn nek naar zijn openstaande kraag. Haar vingers friemelden met de knopen van zijn hemd. Hij herinnerde zich haar kus.

‘Niet hier.’ Ze zei het hees ergens tussen zijn oor en zijn wang. En toen had ze zich losgemaakt en had hem daar laten staan, in dat gangetje waar plots mensen over en weer liepen van en naar het toilet. Hadden ze nog iets afgesproken? Hij dacht het niet, maar de alcohol speelde met zijn geheugen. Deze keer minder erg dan… Hij keek naar zichzefl onder het harde licht bij de wastafel.

Twee jaar geleden was het. Een andere firma, andere collega’s. Een drink na het werk. Donderdagavond. Hij was on the wagon. Met wisselend succes. Vera heette ze. Ze was piepjong, vooraan in de twintig. Ze adoreerde hem. Tenminste dat dacht hij. Met haar korte rokjes en slanke benen, haar voeten in pumps, was ze het gespreksonderwerp aan de koffiemachine. Onder de mannelijke collega’s welteverstaan. Al gauw werd ze een soort prijsvogel, een trofee die elke man van de verkoopsafdeling wou binnenhalen. Die donderdagavond, after work party, lagen zijn kaarten het best. Er werd gedanst, er werd gedronken – nee, gezopen en Willem voelde zich onoverwinnelijk. Zijn belofte, ‘papa drinkt niet meer’, was opgeborgen samen met andere goede voornemens. Na een slow, heel dicht bij elkaar, verlieten ze samen de pub.

‘Kun je nog wel rijden?’ vroeg ze hem.

‘Wat een vraag’, kaatste hij terug. Zijn volgende herinnering was in het ziekenhuis. Een leeggepompte maag, Alix bij hem, haar gezicht vlekkerig, zoals steeds als ze zich opwond. ‘Wat is er gebeurd?’ vroeg hij vanuit zijn ziekenhuisbed en hij herinnerde zich nog hoe bang hij was van het antwoord. Hij beeldde zich een ongeval in. De jonge vrouw naast hem… gewond… dood?

‘Je bent stomweg dronken tegen een muur gereden.’ Alix klonk kwaad. Haar stem kwam met horten. ‘De firmawagen is total loss.’ Er hing een stilte, zwaar als lood, en hij moest het vragen. Hij moest het weten.

‘En Vera?’ Ze keek hem aan met regelrechte haat.

‘Je scharrel?’ Alix leunde over het bed. Haar mond centimeters van zijn gezicht verwijderd. Hij zag die mond bewegen. Hij zag hoe die lippen bevrijdende woorden spraken. ‘Ze heeft enkele schrammen.’ Willem haalde zijn hemd uit de wasmand en hield het voor zich. Enkele rode vlekjes waren zichtbaar voor wie goed keek. Alix zou ze vast opmerken. Hij liep naar de dressing en moffelde het hemd achter een stapel gestreken hemden. Zaterdags werden zijn hemden van de voorbije werkweek gewassen. Hij zou dit er dan bijstoppen, in de machine. Dat had hij nog gedaan. Gelukkig was hij nu niet in een auto gestapt. Alix had hem achtergelaten in dat ziekenhuisbed. Ze had hem zelfs niet opgehaald toen hij werd ontslagen. Verschraelen was gekomen, afstandelijk, maar correct.

‘Je begrijpt, Willem...’ Hij had geknikt. Natuurlijk was hij zijn job kwijt. ‘We houden het stil’, beloofde de HR-manager. ‘Maar je komt niet meer werken. We houden de kosten van het ongeval in op je uitbetaling. Wat neerkomt dat je maar twee maanden loon krijgt. Wel krijg je een aanbevelingsschrijven mee.’ Een lachje ontsnapte uit Verschaelens keel. ‘Je klopte altijd genoeg uren.’ Het was pas weken later, toen hij nog steeds thuis zat, werk- en doelloos, dat hij begreep waarom Verschraelen hem had afgehaald. Alix was gaan werken en ze had stomweg haar smartphone vergeten. Hij woog hem in zijn handen toen het ding beepte. Natuurlijk keek hij. Het was een automatisme. Het sms’je van Verschraelen liet geen twijfel over. Helemaal alleen in de keuken, met de kinderen naar school en zijn vrouw naar haar werk, had hij gelachen tot de tranen over zijn wangen rolden. Toen kon hij Verschraelens opmerking over zijn harde werk, de vele uren die hij klopte, naar waarde schatten. Het bijhorende lachje. Hij begreep het helemaal.

‘Wel, vriend’, zei hij koel tegen de smartphone in mijn hand. ‘Vandaag gaat je afspraakje niet door.’ En hij stuurde. Sorry schat. Te druk. Andere keer?

Toen Alix die avond slecht geluimd thuiskwam, zat hij nog steeds op de keukenstoel, met haar smartphone voor hem op tafel. Ze werd wat bleekjes, meer niet.

‘Nu weet je het’, zei ze en ze deed haar jas uit en ging koken. Over Verschraelen werd verder niks meer gezegd tot Willem een maand later meldde dat hij een nieuwe job had. Hij zei het ‘s avonds aan tafel, met de kinderen erbij en hij zag de opluchting in de ogen van zijn jongste. Ze gaf hem zelfs een kus.

‘Ik ben zo blij, papa.’ Zijn zoon gromde iets. ‘Beloof je niet meer te drinken?’ vroeg Laura. Hij durfde het meisje niet aan te kijken.

‘Ja’, zei hij hees.

‘Dan is het goed, papa. Dan komt alles goed.’ Tom stoof naar zijn kamer. Hij sprak geen woord. Laura volgde en Alix stond recht en ruimde de borden af.

‘Het is voorbij’, zei ze, ‘ tussen Herman en mij.’ Opnieuw zei hij enkel ‘ja.’ En het voelde als een nieuw begin. Echt wel. Even toch.

‘Ik stelde u net een vraag.’ De scherpe toon bracht Willem naar het hier en nu. Zaterdagmorgen op het marktplein in volle quarantaine.

‘Excuseer?’ vroeg hij. Hij keek opzij en fronste. Waar kwam die agent zo plots vandaan? En die andere. Ze waren met twee! De tweede stond met zijn rug naar Willem en zei iets in een telefoon.

‘Waarom u loopt? Als in rennen. U bent duidelijk niet aan het sporten. Niet in die outfit.’ Willem volgde de blik van de agent en keek naar zijn leren schoenen, zijn jeans en zijn pull.

‘Ik was aan het wandelen’, zei hij naar waarheid.

‘Ja?’ De agent kwam hem geen millimeter tegemoet.

‘En toen ontmoette ik een man. Even dacht ik dat ik hem kende, maar dat bleek niet zo. We... We maakten een praatje. Maar… hij deed vreemd… Hij zei iets vreemd… En toen hij wegliep… Wel.’ Willem haalde zijn schouders op. ‘Ik besloot hem te volgen.’

De agent monsterde hem. ‘Heeft u gedronken?’

‘Ik?’ Willem legde zijn hand op zijn borst. ‘Nee. Ik drink niet.’ De agent fronste zijn wenkbrauw, alsof hij beter wist.

‘Uw naam?’ vroeg hij.

‘Willem Verbeek. Waarom? Waarom wilt u dat weten?’

‘Adres?’

‘Kievitlaan 5. Ik...’ Een beweging trok Willems aandacht. Een man kwam uit de kerk. Even keek hij in Willems richting. Toen keek hij weg. Het was onduidelijk of hij Willem van op die afstand had herkend. Hij knikte en stak zijn smartphone in zijn broekzak. ‘Kijk!’ Willem schreeuwde zowat. Hij wees. ‘Kijk dan! Dat is de man. Hij…’ Willem slikte. Toen leek het alsof zijn verstand gewoon in staking ging en hij niet meer aan de gevolgen van zijn acties en zijn woorden dacht. Zoals zo vaak in het verleden. ‘Hij vermoordde zijn vrouw.’ De agent deed een stapje dichterbij. Zijn collega kwam nu ook in beweging. Hij ging zo staan, dat hij Willems zicht blokkeerde. Hij was groot, die tweede agent, robuust ook, niet iemand die je als tegenstander in een gevecht wou.

‘U wilt een moord aangeven?’ vroeg de eerste agent. Zijn stem klonk zacht, alsof ze met zijn drieën een geheim deelden.

‘J-j-ja.. hahum. Misschien wel, ja.’

‘Laten we dan naar het politiebureau gaan, meneer Verbeek.’ De agenten deden een stap opzij om hem door te laten. Met Willem tussen hen in overbrugden ze de afstand tussen de markt en het politiebureau. De deur stond uitnodigend open en Willem liep als eerste naar binnen. Rechts was een loket. Het was onbemand. Rechtdoor zag hij een lange, onverlichte gang. Het daglicht reikte zo ver niet in het gebouw en de gang leek plots vijandig. Een deur sloeg toe. En Willem leek stemmen te horen. Gedempte stemmen, die van ver weg kwamen, ergens uit de gedrochten van het politiekantoor.

‘Loopt u verder’, zei de agent omdat Willem aarzelde. De man hield een deur open die Willem daarnet nog niet had gezien. Er brandde een fel licht in wat verder een kale, witte kamer was. Willem sloot zijn ogen. Hij schudde zijn hoofd. Hij zwijmelde even en moest zich vastgrijpen. De muur was koud. Hij was weer in dat oord. Zo waren ze het gaan noemen. Zo verwees Alix er naar. ‘Als je weer gaat drinken, dan ga je terug in dat oord. Hij was er weken gebleven. Weken, waarvan de details uit zijn geheugen waren gewist alsof ze nooit hadden bestaan. Impressies waren gebleven. Ze overvielen hem op de gekste momenten. Zoals nu. Witte, koude muren. Lange gangen. Pillen en gespreksgroepen. Af en toe verdween er iemand. Af en toe kwam diezelfde persoon terug, nog meer gebogen, nog minder mens.

Alix had hem weggebracht. Laura had geweend – je had het nog zo beloofd, papa – Tom zich op zijn kamer opgesloten. Een kort verblijf, dacht Willem nog, want zijn reiszak was niet eens zwaar. Vijf polo’s, twee broeken, 6 boxershorts, toiletgerief. Tot hij ervoer dat in dat oord elke dag een eeuwigheid duurde. Dagen veranderden zich in nachten om weer dezelfde dagen uit te spugen. Uren had hij doorgebracht op zijn kamer. In het meubilair had een voorganger gekrast. Fuck. Shit. Dat laatste gebeurde er veel. De pillen gaven Willem diarree en toen hij het oord eindelijk verliet, wees de weegschaal -20kg aan. Hij was weer beginnen trainen, joggen, gewichtheffen, alles om zijn lijf weer als vroeger te krijgen, om zichzelf weer terug te vinden. Zijn grijze haren gingen niet meer weg.

Uit de verste hoek van de kamer stond een man op. Willem schrok op, keek, en wees.

‘Maar… jij… Marc!’ stootte hij uit. ‘Ik...ik...’ Willem draaide zich en triomfantelijk bijna keek hij naar de agenten. ‘Dat is de man… die… Dat is hem.’ De agenten knikten.

‘Ga zitten, meneer Verbeek’, zeiden ze en de grootste agent trok een stoel weg. De poten schraapten over de vloer.

‘De agenten kregen net een oproep binnen.’ Marc begon als eerste te praten. ‘Alix werd binnengebracht op de spoed.’ Corona dacht Willem meteen. Hij vormde het woord al met zijn lippen, maar Marc schudde zijn hoofd. Er lag iets bekends in dat gebaar en hij dacht terug aan Marcs woorden toen hij van het trottoir sprong. ‘Beroepsdanser.’ En heel even, een flits, niet meer, was hij weer in dat oord. De grote zaal met het visgraatparket, zachte muziek op de achtergrond en mensen in witte lakens die met uitgestrekte armen leken te zweven in de ijle lucht.

‘Ik ken je’, zei Willem. ‘Ik ken je, maar ik kan je niet plaatsen.’ Marc wuifde zijn opmerking weg.

‘Gewond’, zei hij enkel.

‘Hè?’ Willem kon niet volgen. In gedachten danste hij op de maten van een wals.

‘Ze werd geslagen, getrapt.’ Willem veerde recht, maar de agenten drukten hem weer op de harde stoel. ‘Herinner je je iets, Willem?’

‘Ik? Hoezo? Wat?’

‘Je hebt gedronken’, zei Marc. ‘Vandaag net zoals gisteren.’ De zachte toon in zijn stem had plaatsgemaakt voor een kilte, een afstandelijkheid. Willem trok zijn ogen tot spleetjes en keek de oudere man aan de overkant van het kantoormeubel aan.

‘Jij bent geen beroepsdanser’, zei hij. Het klonk als een beschuldiging.

‘Nee’, zei Marc. ‘Niet meer.’ Hij pauzeerde even en kantelde zijn hoofd. Er verscheen iets van een glimlach rond zijn mond en hij kanteldezijn hoofd, zoals hij dat in de verlaten winkelstraat voor de gesloten winkel had gedaan. ‘Ik zie dat je me nu wel herkent.’ Willem knikte, terwijl hij in zijn geheugen ploegde. Marc. Muziek. Dans. Shit. Shit. Waar kende hij die kerel toch van? Shhhh… ‘Je hebt Alix geslagen’, onderbrak Marc zijn gedachtengang. ‘Je hebt haar zo hard aangepakt dat ze van de trap is gevallen en beneden heb je haar in de buik getrapt. Telkens opnieuw.’

‘Nee.’ Willem schudde zijn hoofd, zo snel dat het hem duizelde. ‘Ik ben brood gaan kopen’, zei hij. ‘Waar is dat brood?’ De agent die hem op de markt had aangesproken, richtte het woord tot hem. Willem keek hem aan en fronste. ‘Het brood’, herhaalde de man. ‘Waar is het brood dat je kocht?’ Willem keek naar zijn schoot, naar zijn lege handen, onder zijn stoel.

‘Ik was nog niet bij de bakker’, zei hij en schudde zijn hoofd. ‘Ik was er wel’, verbeterde hij zichzelf, ‘maar het was te druk. Mensen stonden buiten. Een lange rij. Ik liep verder. Naar een andere bakker.’

‘In de winkelstraat zijn geen broodzaken’, zei Marc. Willem keek hem opnieuw aan. ‘We gaan je oppakken, Willem’, zei Marc op nog steeds diezeflde afstandelijke toon. ‘De drankduivel...’

‘Ha!’ Willem veerde recht en deze keer verraste hij de agenten. Hij leunde over het bureau en wees met zijn wijsvinger naar Marc. ‘Ja!’ Hij knipte met zijn vingers.’ Ik herken je’, zei hij en hij liet het als een beschuldiging klinken. ‘Jij was hier al. Jij was daar, in het oord. Jij! Jij… Jij hebt me naar hier gelokt. Rotzak.’ Marcs lippen krulden zich in een glimlach. Hij knikte.

‘Klopt helemaal, Willem. Ik ben psychiater in St. Lutgardis. Je verbleef in mijn afdeling. En ja, ik heb je naar hier gelokt, zoals jij het noemt. Voorbijgangers merkten je op – je vertoonde eigenaardig gedrag. Dronken, noemde een vrouw het. Dus werd ik opgeroepen. En de beste manier om je zonder problemen mee te krijgen, is je te prikkelen. Dus dat deed ik. En nu zitten we hier. Al was ik hier nog niet. Daar speelt je geheugen je...’ Marc aarzelde, niet omdat hij niet wist wat te zeggen, maar omdat hij verdomme goed wist wat de impact van zijn woorden waren. ‘… alweer parten. Ik was op je rechtzaak. Toen je omringd van agenten je vonnis afwachtte. Ik was bij je in de ambulance die je naar St. Lut bracht. En waar je ook nu weer zult worden opgenomen...’ Weer die aarzeling. ‘...voor een heel erg lange tijd. Het alternatief is...’ Marc zweeg. Willem was lucide genoeg om te weten wat hem anders te wachten stond. Een gevangenisstraf. Een andere gedachte ging door zijn hoofd. Een herinnering? Hij kon het niet met zekerheid zeggen. Alweer die lange gang, breder nu, hel verlicht, slaande deuren. Luidsprekers. Het oord vermengde zich met beelden van een ander oord, even gesloten, evenzeer weg van de echte wereld.

‘Ik deed niks.’ Willem schreeuwde nu. ‘Zij… Alix… Ze is een vreselijk wijf. Ze is me beu. Ze wil me uit de weg. Zodat ze haar gang kan gaan met...’ Hij kwam niet zo snel op een naam. Herman, wou hij zeggen, maar met Herman was het uit. Toch? ‘Ik ga niet terug’, zei hij. ‘No way!’ Hij greep de stoel en smeet hem in de hoek van de kamer. Hij schopte zo hard tegen de schrijftafel dat die lichtjes verschoof. Marc schoot uit zjin stoel. De robuuste agent nam hem in een wurggreep en dwong hem weer neer te zitten op de stoel die zijn collega neerplantte. Willem hijgde. ‘Ze doet alsof!’ schreeuwde hij. ‘Wedden dat ze zichzelf het ziekenhuis insloeg? Alles om mij weg te krijgen.’

“Ik wil je weg, Willem.” Haar stem bonkte door zijn hoofd. Alix, gisteren na de maaltijd. Afhaalpizza, te zout. ‘Smaakt als karton’, merkte Willem op. ‘Dat vraagt om een biertje.’ Hij was de enige die lachte. Laura was ineengekrompen. Zwijgend kauwde ze op een stuk pizza. De rest bleef in de doos. Tom liep weg van tafel.

‘Ik ga naar Frank’, zei hij. ‘Ik ben morgenmiddag weer terug.’

‘Ga je weer een hele nacht gamen?’ schreeuwde Willem hem achterna. ‘Dat heet dan gezellig eten met mijn gezin op vrijdag.’ Alix zweeg en keek naar haar bord. Ze was de enige die pizza van een bord at. Met bestek en een servet, jawel. Mevrouw had een zekere klasse. ‘Wil jij geen wijntje?’

‘Iemand moet nuchter blijven’, zei ze. Hij haalde zijn hoofd uit de koelkast.

‘Wil je zeggen dat ik na een biertje niet meer nuchter ben?’

‘Inderdaad’, zei ze en ze klonk opstandig. ‘Ik zeg dat je na je vijfde biertje dronken bent.’

‘Waar haal je het? Dit is mijn tweede.’ Hij zette het flesje iets te krachtig op tafel. Wit schuim golfde over de rand. Alix wees naar het aanrecht. Hij volgde haar vinger. Vier lege flessen. Willem fronste en keek naar het biertje op de tafel. ‘Wat zou het?’ zei hij en hij dronk de fles in enkele teugen leeg. ‘Jij drinkt ook iets’, beval hij aan Alix. ‘Ik haat het om alleen te drinken.’

‘Je hebt anders genoeg ervaring’, zei ze. ‘Ik drink niet.’ Ze stond op en hij greep haar pols. ‘Blijf’, beval hij. Ze schudde zich los.

‘Papa!’ Laura’s stem klonk versmoord. ‘Stop met drinken’, alsjeblief. Je hebt het beloofd. Je hebt het al zo vaak beloofd.’ Haar ogen blonken. ‘Alsjeblief.’ Hij stond daar maar, op zo’n anderhalve meter van zijn vrouw en dochter. De voorgeschreven corona-afstand. En hij begon te lachen. Hij gooide zijn hoofd achterover en lachte tot de tranen over zijn wangen liepen. De twee vrouwen veroerden zich niet.

‘Grapje’, zei hij. ‘Ik hou er al mee op.’ Hij wou verzoenend klinken, maar er kwam geen glimlach, geen begrip. Alix schudde haar hoofd alsof ze het niet begreep. En ze wees naar buiten, naar het terras. De stoelen waren omver gegooid, tuinkussen lagen her en der op de gazon. Iemand was wild te keer gegaan. Hij? Hij liep naar het raam. Waar was de auto? Godverdomme. Waar was zijn auto? Hij trok de achterdeur open en liep de oprit af. Daar stond de auto. Het portier niet in het slot, de lichten nog aan. Had hij pizza gehaald? Wie anders? Alix zou zijn auto nooit nemen. Dat had ze een keer gewaagd en toen… Hij sloot zijn ogen en keerde terug naar binnen. Laura weende nu voluit. Met haar vingers wreef ze haar tranen uit over haar wangen.

‘Het is genoeg geweest’, zei ze zo stil dat hij dacht dat ze niks had gezegd. ‘Het spijt me, mama. Ik kan niet meer. Ik ga naar oma. Kom mee, alsjeblieft.’ Alix schudde haar hoofd. ‘Er moet iets worden gedaan. We moeten iets doen.’ Laura’s woorden eindigden in een snik.

‘We doen ook iets’, beloofde Alix. ‘En dit… dit gaat wel weer over’, zei ze. ‘Maak je maar geen zorgen om me.’ Die vrouwen hadden gedaan alsof hij, Willem lucht was. En gek genoeg had het hem gekalmeerd. Het was alsof hij leegliep, als lucht uit een kapotte band, door de reactie van zijn dochter. Hij keek haar na, haar lange, magere gestalte, haar lichtjes gebogen hoofd en schouders toen ze wegliep, de kamer, het huis uit. Alix ruimde de tafel af. Zijn lege bierfles zette ze naast de andere op het aanrecht. Zijn prijsbekers. Geluidloos verliet ze de kamer. Hij zakte voor de tv. Een Britse detectivereeks. Endeavour. De ontknoping had hij niet gehaald. Hij was ‘s morgens wakker geschoten met een kater en een stijve nek. Alix dronk koffie in de keuken bij het aanrecht. Zijn lege flessen stonden nog steeds op het aanrecht. Ze stonken. Hij stonk.

‘Ik douche en ga even wandelen’, zei hij. Ze knikte en blies op de warme koffie. Een normale scène in een normaal Vlaams gezin tijdens de quarantaine. ‘Ik breng brood mee. Wit voor jou en Tom, rozijnenbrood voor Laura. Goed?’ Hij wou het goedmaken. Hij zou het goedmaken. Deze keer. Echt.

‘Laura logeert bij oma.’ Hij fronste. Ja, inderdaad. Zoiets had ze gisteren gezegd. Het was toch gisteren? Hij keek weer naar het aanrecht. De flessen fier rechtopstaand. Ja, het was gisteren. Pizza en bier.

‘Geen rozijnenbrood dan.’ Hij probeerde een lachje wat maar half lukte. Alix deed het niet beter, maar er waren tenminste geen verwijten, geen boze blikken. Een half uur later was hij de deur uit en stond hij voor een gesloten winkel met een lichtje achteraan.

Voor hem schraapte een agent zijn keel. ‘Ik heb niks gedaan’, zei Willem. ‘Godverdomme.’ Hij sloeg met zijn vuist op het bureaublad. De drie mannen waren niet onder de indruk. ‘Jij!’ Hij wees naar zijn psychiater. ‘Jij vertelde me dat je je vrouw omlegde. Jij!’ Hij was weer beginnen te schreeuwen. Zijn keel voelde schor aan. Hij moest iets drinken. Marc schudde zijn hoofd in ongeloof.

‘Echt, Willem, die verbeelding van je. En je gelooft het nog ook.’ Hij zweeg even voor hij zich over de wat weggeschoven tafel naar Willem boog. ‘Ik sprak jouw wensen uit’, zei hij gevaarlijk zacht. ‘Jij wou je van je vrouw ontdoen. Jouw vrouw die nu in het ziekenhuis ligt.’

‘Ze liegt. Dat verdomde wijf liegt dat het gedrukt staat.’ Willem was zeker van zijn stuk. Er moest een verklaring zijn. Een inbreker? Want hij, Willem, had niks gedaan. Zijn geheugen was shit, dat klopte. Te veel jaren, te veel drank. Maar hier was hij zeker van. De drie mannen gaven geen antwoord. Ze toonden geen reactie. Dus nam Willem opnieuw het woord. ‘Wat zei je daarnet? Dat ze van de trap viel en ik haar daarna schopte?’ Marc knikte.

‘Goed opgelet’, zei hij en het was alsof hij Willem prees, zoals een schoolmeester dat met een hopeloze leerling doet als die eindelijk een juist antwoord geeft.

‘Alsof iemand dat kan bewijzen. Wat eerst en wat erna kwam. Alix liegt. Dat kan ze heel erg goed.’ Herman. Zijn gedachten gingen spontaan naar Herman voor ze naar Vera flitsten en Hanne. En hij zich weer voelde leeglopen. Mak worden, zoals in dat oord ook zo vaak gebeurde, na de dagelijkse injectie. De stilte duurde voort. Zonder enige emotie keek Marc hem aan.

‘Er is een getuige’, zei hij. ‘Dus daar valt weinig tegen in te brengen. Die getuigenis in combinatie met je verleden.’ Hij vertrok zijn mond in een spijtige glimlach. ‘Die doen je de das om, Willem.’ Maar er was niemand thuis, wilde Willem uitschreeuwen. Tom was bij zijn beste vriend. Verboden in coronatijd, maar wie zou gaan klikken? Franks ouders niet. Die hadden andere zorgen, nu hun restaurant gedwongen gesloten was. En Laura logeerde bij oma. Daarom kocht hij ook geen rozijnenbrood.

‘Wie?’ vroeg hij tenslotte schor. ‘Wie getuigde?’ Marc zuchtte.

‘Je dochter belde de hulpdiensten nadat ze zag hoe jij haar moeder mishandelde.’ Willem opende zijn mond om iets te zeggen, maar zweeg. “We moeten iets doen”, had Laura gisteren gezegd. “We doen iets”, was het antwoord van Alix. Willem plofte neer in de harde stoel. Een lachje ontsnapte uit zijn keel. Van je familie moet je het hebben.


EINDE